woensdag 25 maart 2015

Het misverstand over flexwerk en de vaste baan

Al van oudsher dient de uitzendbranche als graadmeter voor de arbeidsmarkt. Groeit de economie dan merkt de uitzendbranche dat als eerste en neemt het aantal uren en de omzet binnen die branche toe. Ook het omgekeerde is waar; minder economische groei betekent minder uitzendbanen.

Wanneer je de cijfers over flexwerk analyseert dan is te zien dat die graadmeter van de economie (het aandeel van de uitzendbranche) al jaren een vrij constante ‘temperatuur’ vertoont, namelijk rond de 3% van de beroepsbevolking. Een opvallend fenomeen waaruit blijkt dat er meer aan de hand is.

Normaal gesproken neemt de flexibiliteit van de arbeidsmarkt na een crisis toe. Nu er een beperkte groei waar te nemen is, met name in de exportsector, blijkt de uitzendbranche niet evenredig mee te groeien.


Ongeveer een derde van de beroepsbevolking heeft geen vast contract of werkt als ZZP’er.  De toename van de flexibilisering van de arbeidsmarkt zit met name in de stijging van het aantal oproepkrachten, ZZP’ers en tijdelijke contracten met uitzicht op een vaste baan. 

Flexwerk neemt in algemene zin dus toe, evenals de flexibilisering van de arbeidsmarkt, maar de grote wens vanuit de werknemer blijft toch die vaste baan! Een patstelling die de komende tijd de nodige aandacht vraagt met name op het gebied van de wederzijdse loyaliteit.

Arbeidseconoom Ronald Dekker zegt hierover het volgende:


Geen opmerkingen:

Een reactie posten